Strafrecht overig
Conversie. Verdachte is op 21-6-02 door Ktr bij verstek veroordeeld tot € 45,- geldboete wegens overtreding…
ECLI:NL:HR:2006:AV6216 · Hoge Raad · 9 mei 2006
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2006-av6216
Zaakgegevens
Op 9 mei 2006 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 mei 2006
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 03035/05
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2006:AV6216
Samenvatting
Conversie. Verdachte is op 21-6-02 door Ktr bij verstek veroordeeld tot € 45,- geldboete wegens overtreding APV en stelt op 11-1-05 appèl in. Hof verstaat dat verdachte tegen vonnis Ktr cassatie heeft ingesteld. Ex art. 404.2.b jo 399.3 Sv staat verzet open. Ex art. 78.5 RO kan door verdachte derhalve geen cassatie worden ingesteld. HR bepaalt dat stukken naar griffier Rb worden gezonden, opdat de Ktr de zaak op het bestaande verzet zal berechten en afdoen. Opmerking verdient dat ex art. 402 en 403 Sv de vraag of i.c. het recht tot strafvordering door verjaring is vervallen eerst aan de orde kan komen indien verdachte ten dienenden dage op de terechtzitting van de Ktr verschijnt.
Procesgang
Hoge Raad · 9 mei 2006deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2006:AV6216
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 mei 2006
ECLI:NL:PHR:2006:AV6216
Uitspraak
9 mei 2006
Strafkamer
nr. 03035/05
IV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te Rotterdam, van 21 juni 2002, nummer 10/431315-02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
De Kantonrechter heeft de verdachte ter zake van overtreding van art. 2.4.5 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 1994 veroordeeld tot een geldboete van € 45,-, subsidiair één dag hechtenis.
2. Het cassatieberoep
De verdachte heeft op 11 januari 2005 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter. Bij arrest van 20 september 2005 heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage verstaan dat de verdachte tegen dat vonnis beroep in cassatie heeft ingesteld.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden vonnis zal vernietigen en de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vervolging.
3. Beoordeling van het ingestelde rechtsmiddel
3.1. Gelet op art. 404, tweede lid aanhef en onder b, in verbinding met art. 399, derde lid, Sv staat in de onderhavige zaak verzet open. Ingevolge art. 78, vijfde lid, RO kan door de verdachte derhalve geen beroep in cassatie worden ingesteld.
3.2. De Hoge Raad zal bepalen dat de stukken van het geding dienen te worden gezonden naar de Griffier van de Rechtbank te Rotterdam, opdat de Kantonrechter in die Rechtbank de zaak op het bestaande verzet zal berechten en afdoen.
3.3. Opmerking verdient dat ingevolge de art. 402 en 403 Sv de vraag of te dezen het recht tot strafvordering door verjaring is vervallen eerst aan de orde kan komen indien de verdachte ten dienenden dage op de terechtzitting van de Kantonrechter verschijnt.
4. Slotsom
Het vorenoverwogene brengt mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad bepaalt dat de stukken van het geding zullen worden gezonden naar de Griffier van de Rechtbank te Rotterdam, opdat de Kantonrechter in die Rechtbank de zaak op het bestaande verzet zal berechten en afdoen.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 9 mei 2006.