Strafrecht overig
Klacht over het door de rolrechter niet verlenen van uitstel voor het indienen van een cassatieschriftuur…
ECLI:NL:HR:2006:AW0183 · Hoge Raad · 13 juni 2006
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2006-aw0183
Zaakgegevens
Op 13 juni 2006 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 juni 2006
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 01535/05
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2006:AW0183
Samenvatting
Klacht over het door de rolrechter niet verlenen van uitstel voor het indienen van een cassatieschriftuur. Als middelen van cassatie komen voor onderzoek door de cassatierechter alleen in aanmerking klachten die zijn gericht tegen de bestreden uitspraak. De klacht voldoet niet aan dit vereiste zodat zij onbesproken moet blijven. Opmerking verdient dat hier geen sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat in het belang van een behoorlijke rechtspleging van de beslissing van de rolrechter wordt afgeweken (zie ook uitgebreide conclusie AG).
Procesgang
Hoge Raad · 13 juni 2006deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2006:AW0183
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 13 juni 2006
ECLI:NL:PHR:2006:AW0183
Uitspraak
13 juni 2006
Strafkamer
nr. 01535/05
SG/IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 15 februari 2005, nummer 24/000814-04, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Groningen van 10 juni 2004 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding primair tenlastegelegde en hem ter zake van subsidiair "medeplegen van poging tot zware mishandeling" veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen, aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd en hem veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte kosten van het geding, een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.R. Weening, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt dat de Hoge Raad (de rolrechter) ten onrechte geen uitstel heeft verleend voor het indienen van een cassatieschriftuur.
3.2. Als middelen van cassatie komen voor onderzoek door de cassatierechter alleen in aanmerking klachten die zijn gericht tegen de bestreden uitspraak. De klacht voldoet niet aan dit vereiste zodat zij onbesproken moet blijven.
3.3. Opmerking verdient dat hier geen sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat in het belang van een behoorlijke rechtspleging van de beslissing van de rolrechter wordt afgeweken.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier D.N.I. Gjaltema, en uitgesproken op 13 juni 2006.