Strafrecht overig
In aanmerking genomen dat de opgelegde geldboete gelijk is aan het inbeslaggenomen geldbedrag waarvan het hof…
Hoge Raad, 31 oktober 2006
ECLI:NL:HR:2006:AY8344 · Hoge Raad · 31 oktober 2006
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2006-ay8344
Zaakgegevens
Op 31 oktober 2006 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 31 oktober 2006
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 02921/05
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2006:AY8344
Samenvatting
In aanmerking genomen dat de opgelegde geldboete gelijk is aan het inbeslaggenomen geldbedrag waarvan het hof de teruggave aan verdachte heeft gelast, is de motivering van de oplegging van de geldboete niet onbegrijpelijk. Hetgeen in de toelichting op het middel is vermeld omtrent een ten laste van verdachte gelegd derdenbeslag en twee andere schulden doet daaraan niet af.
Procesgang
Hoge Raad · 31 oktober 2006deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2006:AY8344
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 31 oktober 2006
ECLI:NL:PHR:2006:AY8344
Uitspraak
31 oktober 2006
Strafkamer
nr. 02921/05
DV/AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 maart 2005, nummer 22/004098-04, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren [te geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 29 december 2003 - de verdachte ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf en een geldboete van € 20.620,-, subsidiair 247 dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de
Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het derde middel
4.1. Het middel klaagt over de motivering van de opgelegde geldboete.
4.2.1. De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"Strafmotivering
(...) Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur alsmede, anders dan door de advocaat-generaal gevorderd, een geheel onvoorwaardelijke geldboete van navermelde hoogte een passende en geboden reactie vormen. Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Beslag
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verbeurdverklaring van de op de beslaglijst onder 1 en 2 vermelde inbeslaggenomen geldbedragen en teruggave van het onder 3 vermelde inbeslaggenomen voorwerp aan de verdachte. Ten aanzien van de op de beslaglijst onder 1 tot en met 3 vermelde inbeslaggenomen en nog niet teruggeven voorwerpen zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte".
4.2.2. De aan de bestreden uitspraak gehechte beslaglijst houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang in, onder 1 "geld € 20.620,-" en onder 2 "geld Ang 350,-".
4.3. In aanmerking genomen dat - zoals uit het voorgaande blijkt - de opgelegde geldboete gelijk is aan het inbeslaggenomen geldbedrag sub 1 waarvan het Hof de teruggave aan de verdachte heeft gelast, is de motivering van de oplegging van de geldboete niet onbegrijpelijk. Hetgeen in de toelichting op het middel is vermeld omtrent een door de Sociale Dienst ten laste van de verdachte onder justitie gelegd derdenbeslag ter hoogte van € 5.194,13 en omtrent twee andere schulden van de verdachte, doet aan het voorgaande niet af.
4.4. Het middel faalt derhalve.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 31 oktober 2006.