Strafrecht overig

HR verwerpt cassatieberoep onder verwijzing naar conclusie AG, o.m. inhoudend: De bewijsmiddelen houden in…

Hoge Raad, 20 februari 2007

Zaakgegevens

Op 20 februari 2007 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20 februari 2007
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
01109/06
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2007:AZ5705
E-mail

Samenvatting

HR verwerpt cassatieberoep onder verwijzing naar conclusie AG, o.m. inhoudend: De bewijsmiddelen houden in dat verdachte voor 4 maanden de rijbevoegdheid is ontzegd, hem op 15-8-00 een kennisgeving is uitgereikt over het ingaan van die rijontzegging en de ontzegging van kracht is geweest t/m 26-8-02. In het middel, dat klaagt over de bewijsmotivering, wordt over het hoofd gezien dat de duur van de rijontzegging ex art. 180.4 en 180.6 WVW 1994 van rechtswege wordt verlengd met de tijd dat het rijbewijs (nog) niet is ingeleverd, ondanks de verplichting het rijbewijs uiterlijk op de dag waarop de rijontzegging ingaat in te leveren. Van zo'n verlenging was hier sprake. Tot het bewijs bezigde het hof de verklaring van verdachte ter terechtzitting in appel: “Ik heb mijn rijbewijs de gehele tijd gewoon onder mij gehouden”.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 20 februari 2007deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2007:AZ5705

  2. Conclusie A-G · 20 februari 2007

    ECLI:NL:PHR:2007:AZ5705

Uitspraak

20 februari 2007

Strafkamer

nr. 01109/06

SG/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 juni 2005, nummer 22/001084-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 25 februari 2004 - voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 5 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 2. "overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder A van de Wegenverkeerswet 1994", 3., 7. en 9. "overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd", 4 primair "overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994", 5 subsidiair "overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994" en 6., 8. en 10. "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd" veroordeeld tot 16 weken gevangenisstraf met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven en ten aanzien van 2, 3, 5 subsidiair, 7 en 9 telkens tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel strekt ten betoge dat de bewijsmotivering van het onder 4 primair bewezenverklaarde onbegrijpelijk is.

3.2. Het middel faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 20 februari 2007.