Strafrecht overig
Vervolgingsuitlevering aan Suriname (vervolg op tussenarrest LJN AX9175). Aangenomen moet worden dat de…
ECLI:NL:HR:2007:AZ8351 · Hoge Raad · 6 februari 2007
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2007-az8351
Zaakgegevens
Op 6 februari 2007 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 februari 2007
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 00773/06 U
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2007:AZ8351
Samenvatting
Vervolgingsuitlevering aan Suriname (vervolg op tussenarrest LJN AX9175). Aangenomen moet worden dat de opgeëiste persoon is overleden. Het verzoek tot uitlevering is dus niet vatbaar voor inwilliging, zodat de OvJ alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de inleidende vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek.
Procesgang
Hoge Raad · 6 februari 2007deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2007:AZ8351
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 6 februari 2007
ECLI:NL:PHR:2007:AZ8351
Uitspraak
6 februari 2007
Strafkamer
nr. 00773/06 U
EC/JH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
inzake het verzoek om uitlevering aan de Republiek Suriname van:
[De opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, zich ook noemende [A], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.
1. De procesgang
1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 29 augustus 2006. In dat arrest heeft de Hoge Raad de uitspraak van de Rechtbank te Zwolle-Lelystad van 21 oktober 2005 vernietigd. Voorts heeft de Hoge Raad bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering.
1.2. Ter zitting van 6 februari 2007 is noch de opgeëiste persoon noch de raadsman verschenen. Op die zitting heeft de Advocaat-Generaal Machielse als zijn opvatting te kennen gegeven dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het verzoek tot uitlevering.
2. Beoordeling van de inleidende vordering
2.1. Het verzoek tot uitlevering betreft [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980. Bij de behandeling van het uitleveringsverzoek door de Rechtbank heeft de aldaar gehoorde persoon opgegeven te zijn:
[A], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.
2.2. Een proces-verbaal inzake een ingesteld identiteitsonderzoek van 6 september 2006, opgemaakt door M.A. Bon, brigadier van politie, regio Amsterdam-Amstelland, houdt in:
"Op 29 mei 2005 werd te Amsterdam een dactyloscopisch signalement vervaardigd, gesteld ten name van:
[A], geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats].
Dit dactyloscopisch signalement is identiek aan een op 22 juli 1999 te Suriname vervaardigd dactyloscopisch signalement, gesteld ten name van:
[De opgeëiste persoon], geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats].
Bij vergelijking van deze dactyloscopische signalementen, werden door mij slechts dactyloscopische punten van overeenkomst waargenomen, zonder dactyloscopische verschillen. Derhalve staat vast dat beide signalementen werden vervaardigd van dezelfde persoon."
2.3. Een aan de Hoge Raad overgelegd, door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam gewaarmerkt afschrift van een akte van de burgerlijke stand van die gemeente houdt in dat [A], geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats], op 11 oktober 2006 aldaar is overleden.
2.4. Op grond van hetgeen hiervoor onder 2.2 en 2.3 is weergegeven, moet worden aangenomen dat de opgeëiste persoon is overleden. Het verzoek tot uitlevering is dus niet vatbaar voor inwilliging, zodat de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de inleidende vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in de inleidende vordering tot het in behandeling nemen van het verzoek tot uitlevering.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 6 februari 2007.