Strafrecht overig
Verdachte is veroordeeld voor moord op zijn echtgenoot – een sciencefictionschrijver met pseudoniem Paul…
Hoge Raad, 30 oktober 2007
ECLI:NL:HR:2007:BA6569 · Hoge Raad · 30 oktober 2007
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2007-ba6569
Zaakgegevens
Op 30 oktober 2007 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 oktober 2007
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 02797/06
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2007:BA6569
Samenvatting
Verdachte is veroordeeld voor moord op zijn echtgenoot – een sciencefictionschrijver met pseudoniem Paul Harland - met wie hij een ‘meester-slaaf-verhouding’ had. Het stoffelijk overschot van het slachtoffer is – met een plastic zak vastgebonden om zijn hoofd - gevonden in de woning van het verdachte en het s.o. terwijl in het bloed van het s.o. een aanzienlijke concentratie van een slaapmiddel is aangetroffen. Voorts zijn aangetroffen een afscheidsbrief van het s.o. gericht aan verdachte en 2 e-mailberichten gericht aan het s.o. en aan diens werkgever en inhoudend dat het s.o. met HIV is besmet. Het Hof heeft geoordeeld dat verdachte het s.o. van het leven heeft beroofd en heeft willen doen voorkomen dat het s.o. zelfmoord heeft gepleegd. Conclusie AG: alle 9 middelen, o.m. inhoudend bewijsklachten, klachten tav de verwerping van verweren en een beroep op HR LJN AF7985 (rechter die zich op niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens beroept, dient met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging die feiten en omstandigheden aan te duiden en het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die f&o zijn ontleend) falen en kunnen worden afgedaan met 81RO. HR: 81RO.
Procesgang
Gerechtshof Arnhem · 7 maart 2006
ECLI:NL:GHARN:2006:AV3536Hoge Raad · 30 oktober 2007deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2007:BA6569
(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 30 oktober 2007
ECLI:NL:PHR:2007:BA6569
Uitspraak
30 oktober 2007
Strafkamer
nr. 02797/06
RR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 7 maart 2006, nummer 21/005649-04, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Oosterhoek" te Grave.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 28 september 2004 - de verdachte ter zake van "moord" veroordeeld tot twaalf jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, heeft op 7 maart 2006 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze elf jaren en acht maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink, J. de Hullu, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 30 oktober 2007.