Strafrecht overig
Uitlevering aan republiek Servië. HR verwerpt het middel door te verwijzen naar de CAG. De Rb heeft het…
Hoge Raad, 24 juni 2008
ECLI:NL:HR:2008:BD4949 · Hoge Raad · 24 juni 2008
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2008-bd4949
Zaakgegevens
Op 24 juni 2008 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 24 juni 2008
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 07/13289 U
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2008:BD4949
Samenvatting
Uitlevering aan republiek Servië. HR verwerpt het middel door te verwijzen naar de CAG. De Rb heeft het verweer van de raadsman terecht verworpen. Art. 28.1 EUV, het verdrag waarbij NL en Servië partij zijn, bepaalt dat bepalingen uit bilaterale verdragen die de uitlevering regelen vervallen. Dat brengt met zich dat art. 4 van de Overeenkomst tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Servië tot regeling der wederzijdsche uitlevering van misdadigers, gesloten te Belgrado op 11 maart 1896 (Stb. 1897, 42) niet van toepassing is.
Procesgang
Hoge Raad · 24 juni 2008deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2008:BD4949
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 24 juni 2008
ECLI:NL:PHR:2008:BD4949
Uitspraak
24 juni 2008
Strafkamer
nr. 07/13289 U
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 15 november 2007, nummer 07/1175, op een verzoek van de autoriteiten van Servië tot uitlevering van:
[De opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Midden Holland, locatie Haarlem" te Haarlem.
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. C.L. Kranendonk, advocaat te Beverwijk, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Procureur-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat art. 4 van de Overeenkomst tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Servië tot regeling der wederzijdsche uitlevering van misdadigers, gesloten te Belgrado op 11 maart 1896 (Stb. 1897, 42) op grond van art. 28 van het Europees uitleveringsverdrag niet van toepassing is.
3.2. Op de gronden die zijn vermeld in de aan dit arrest gehechte conclusie van de Procureur-Generaal onder 3 tot en met 10 kan het middel niet tot cassatie leiden.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A van Dorst en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 24 juni 2008.