Strafrecht overig

Profijtontneming. Overschrijding redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM. Het Hof heeft betrokkene de…

Zaakgegevens

Op 2 december 2008 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
2 december 2008
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
07/11001 P
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2008:BG3522
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Profijtontneming. Overschrijding redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM. Het Hof heeft betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.470,-. Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan betrokkene opgelegde betalingsverplichting.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 2 december 2008deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2008:BG3522

  2. Conclusie A-G · 2 december 2008

    ECLI:NL:PHR:2008:BG3522

Uitspraak

2 december 2008

Strafkamer

nr. 07/11001 P

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 maart 2007, nummer 23/000097-07, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen wat betreft de hoogte van het te ontnemen bedrag en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

2.2. Het Hof heeft de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.470,-.

2.3. Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.

3. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 7.096,- bedraagt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 2 december 2008.