Strafrecht overig

Conclusie AG over o.m. over de vraag of m.b.t. het meten van het equivalente geluidsniveau de ‘methode 1991’…

Zaakgegevens

Op 21 april 2009 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 april 2009
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
07/10109 E
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2009:BH1334
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG over o.m. over de vraag of m.b.t. het meten van het equivalente geluidsniveau de ‘methode 1991’ kan worden gelijkgesteld met de ‘methode 1981’. HR: 81 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 5 december 2006

    ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4091
  2. Hoge Raad · 21 april 2009deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2009:BH1334

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Conclusie A-G · 21 april 2009

    ECLI:NL:PHR:2009:BH1334

Uitspraak

21 april 2009

Strafkamer

nr. 07/10109 E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 5 december 2006, nummer 20/003986-04, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R. Gijsen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot strafvermindering in de mate die de Hoge Raad goeddunkt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

2.2. De klacht is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 1.100,-.

3. Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert de geldboete in die zin dat deze € 1.045,- bedraagt;

vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 21 dagen beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 21 april 2009.