Strafrecht overig

Art. 359.2 Sv; uos. Het middel faalt omdat niet met voldoende precisie is aangeduid op welk onderbouwd…

Zaakgegevens

Op 9 februari 2010 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 februari 2010
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
07/12203
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2010:BK6926
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Art. 359.2 Sv; uos. Het middel faalt omdat niet met voldoende precisie is aangeduid op welk onderbouwd standpunt het het oog heeft.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 9 februari 2010deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2010:BK6926

  2. Conclusie A-G · 9 februari 2010

    ECLI:NL:PHR:2010:BK6926

Uitspraak

9 februari 2010

Strafkamer

nr. 07/12203

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 2 mei 2007, nummer 23/006812-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.F.J. Smeets, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

2.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Gelet op de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat te dezen geen sprake is van schuldheling.

3.2. Het middel faalt, omdat daarin niet met voldoende precisie wordt aangeduid op welk onderbouwd standpunt het het oog heeft (vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006, 393).

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 9 februari 2010.