Strafrecht overig

Zedenzaak. Conclusie AG onder meer over opzet en wetenschap dat een s.o. door de gebrekkige ontwikkeling van…

Zaakgegevens

Op 14 september 2010 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 september 2010
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
08/04148
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2010:BM4396
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Zedenzaak. Conclusie AG onder meer over opzet en wetenschap dat een s.o. door de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens niet of onvolkomen in staat is weerstand te bieden tegen ontuchtige handelingen i.d.z.v. art. 247 Sr. HR: 81 RO.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 14 september 2010deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2010:BM4396

  2. Conclusie A-G · 14 september 2010

    ECLI:NL:PHR:2010:BM4396

Uitspraak

14 september 2010

Strafkamer

nr. 08/04148

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 25 augustus 2008, nummer 21/002108-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1938, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 18 maanden.

4. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze 17 maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 14 september 2010.