Strafrecht overig

Economische zaak. Rust- en rijtijdenwet. Art. 8 Verordening (EEG) nr. 3820/85. HR doet met het oog op HR NJ…

Zaakgegevens

Op 28 september 2010 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28 september 2010
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
08/05255 E
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2010:BM5276
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Economische zaak. Rust- en rijtijdenwet. Art. 8 Verordening (EEG) nr. 3820/85. HR doet met het oog op HR NJ 1998, 408 en HR NJ 1999, 804 de zaak af met art. 81 RO.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 28 september 2010deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2010:BM5276

  2. Conclusie A-G · 28 september 2010

    ECLI:NL:PHR:2010:BM5276

Uitspraak

28 september 2010

Strafkamer

nr. 08/05255 E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 4 maart 2008, nummer 21/000214-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V.Q. Vallenduuk-Bobeck, advocaat te Haarlem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO - en wat betreft het eerste middel HR 20 januari 1998, NJ 1998, 408 en HR 5 oktober 1999, NJ 1999, 804 - geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de twee aan de verdachte opgelegde geldboetes van elk € 1.320,-.

4. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de twee opgelegde geldboetes van elk € 1.320,-;

vermindert die geldboetes in die zin dat deze elk € 1.188,- bedragen;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 28 september 2010.