Strafrecht overig
Het Hof heeft voor het bewijs van feit 1 en 3 mede redengevend geacht dat verdachte voor soortgelijke feiten…
ECLI:NL:HR:2011:BO9837 · Hoge Raad · 8 februari 2011
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2011-bo9837
Zaakgegevens
Op 8 februari 2011 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 februari 2011
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 09/01913
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2011:BO9837
Samenvatting
Het Hof heeft voor het bewijs van feit 1 en 3 mede redengevend geacht dat verdachte voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Dat oordeel is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. De bewezenverklaring is daarom ontoereikend gemotiveerd.
Procesgang
Hoge Raad · 8 februari 2011deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2011:BO9837
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 8 februari 2011
ECLI:NL:PHR:2011:BO9837
Uitspraak
8 februari 2011
Strafkamer
nr. 09/01913
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 juli 2008, nummer 22/003330-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft het onder 1 en 3 bewezenverklaarde en de opgelegde straf en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten aanzien van hetgeen onder 1 en 2 is bewezenverklaard mede redengevend heeft geacht dat de verdachte "voor soortgelijke feiten is veroordeeld".
2.2. Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering het volgende overwogen:
"Bij een dergelijke nauwe en bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering, zoals blijkend uit de hierboven weergegeven en overige bewijsmiddelen, heeft de verdachte tenminste voorwaardelijk opzet gehad op het opzettelijk gebruik maken van valse en/of vervalste geschriften en op oplichting, temeer daar de verdachte voor soortgelijke feiten is veroordeeld."
2.3. Blijkens haar inhoud heeft die passage alleen betrekking op de bewezenverklaringen onder 1 en 3.
2.4. Het slot van die passage houdt een oordeel in dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.
De bewezenverklaring is daarom ontoereikend gemotiveerd.
2.5. Het middel is terecht voorgesteld.
3. Beoordeling van het vierde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren C.H.W.M. Sterk en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 8 februari 2011.