Strafrecht overig

Hoge Raad · Cassatie · Strafrecht overig

Hoge Raad, 31 mei 2011

Zaakgegevens

Op 31 mei 2011 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31 mei 2011
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
10/01392 A
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2011:BO9982
E-mail

Samenvatting

HR: 81RO.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 31 mei 2011deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2011:BO9982

  2. Conclusie A-G · 31 mei 2011

    ECLI:NL:PHR:2011:BO9982

Uitspraak

31 mei 2011

Strafkamer

nr. 10/01392 A

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 13 oktober 2009, nummer H 112/09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, ten tijde van de betekening van de aanzegging wonende op [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Slotsom

Nu het middel, waarin niet wordt geklaagd dat het Hof heeft verzuimd om op de voet van art. 402, eerste lid, SvA in het vonnis de inhoud van de bewijsmiddelen op te nemen, niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 31 mei 2011.