Strafrecht overig

Oplegging van een hechtenisstraf die niet op het bewezenverklaarde feit (een misdrijf) is gesteld.

Hoge Raad, 29 maart 2011

Zaakgegevens

Op 29 maart 2011 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29 maart 2011
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
09/03321
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2011:BP0346
E-mail

Samenvatting

Oplegging van een hechtenisstraf die niet op het bewezenverklaarde feit (een misdrijf) is gesteld.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 29 maart 2011deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2011:BP0346

  2. Conclusie A-G · 29 maart 2011

    ECLI:NL:PHR:2011:BP0346

Uitspraak

29 maart 2011

Strafkamer

nr. 09/03321

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, Enkelvoudige Kamer, van 7 augustus 2009, nummer 23/002095-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof een straf heeft opgelegd die niet op het bewezenverklaarde feit is gesteld.

3.2. Het Hof heeft de verdachte bij de bestreden uitspraak veroordeeld tot twee maanden hechtenis ter zake van overtreding van art. 197 Sr. Dusdoende heeft het Hof miskend dat dat feit niet bedreigd is met hechtenis, maar met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

3.3. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het vierde middel geen bespreking behoeft, en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 29 maart 2011.