Strafrecht overig

HR: 81 RO en strafvermindering i.v.m. de overschrijding van de redelijke termijn.

Hoge Raad, 2 oktober 2012

Zaakgegevens

Op 2 oktober 2012 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
2 oktober 2012
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
10/05311
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2012:BX8454
E-mail

Samenvatting

HR: 81 RO en strafvermindering i.v.m. de overschrijding van de redelijke termijn.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Gravenhage · 22 november 2010

    ECLI:NL:GHSGR:2010:BP3800
  2. Hoge Raad · 2 oktober 2012deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2012:BX8454

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Conclusie A-G · 2 oktober 2012

    ECLI:NL:PHR:2012:BX8454

Uitspraak

2 oktober 2012

Strafkamer

nr. S 10/05311

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 november 2010, nummer 22/000569-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Flevoland, locatie Lelystad" te Lelystad.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Bij brief van 20 augustus 2012 heeft de raadsman het eerste, het vijfde en het zevende middel ingetrokken en de overige middelen nader toegelicht.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate als de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het tweede, het derde en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het zesde middel

3.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zes jaren.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en zes maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer B.C. de Savornin Lohman als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 2 oktober 2012.