Strafrecht overig

HR: 81.1 RO en strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie.

Zaakgegevens

Op 27 november 2012 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27 november 2012
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
11/01318
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2012:BY0839
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

HR: 81.1 RO en strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie.

Procesgang

  1. Rechtbank 's-Gravenhage · 17 maart 2010

    ECLI:NL:RBSGR:2010:BL7850
  2. Gerechtshof 's-Gravenhage · 28 januari 2011

    ECLI:NL:GHSGR:2011:BP3806

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Hoge Raad · 27 november 2012deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2012:BY0839

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  4. Conclusie A-G · 27 november 2012

    ECLI:NL:PHR:2012:BY0839

Uitspraak

27 november 2012

Strafkamer

nr. S 11/01318

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 januari 2011, nummer 22/001928-10, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van veertien jaren.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze dertien jaren en zes maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 27 november 2012.