Strafrecht overig
Beklag. Verzet tegen dwangbevel. Ingevolge art. 575.3 Sv is de veroordeelde in zijn cassatieberoep slechts…
Hoge Raad, 2 juli 2013
ECLI:NL:HR:2013:117 · Hoge Raad · 2 juli 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2013-117
Zaakgegevens
Op 2 juli 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 2 juli 2013
- Datum publicatie
- 18 juli 2013
- Zaaknummer
- 11/05186 B
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2013:117
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beklag. Verzet tegen dwangbevel. Ingevolge art. 575.3 Sv is de veroordeelde in zijn cassatieberoep slechts ontvankelijk na voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten ter griffie van het gerecht dat de beschikking heeft gegeven, of waartoe de rechter van wie de beschikking afkomstig is, behoort. Bij tussenbeschikking van 9-10-2012 heeft de HR veroordeelde in de gelegenheid gesteld om alsnog binnen een termijn van 14 dagen nadat de Griffier van de Rb Utrecht haar daartoe schriftelijk heeft aangemaand, een nader te bepalen bedrag ter griffie van de Rb te consigneren. Binnen de gestelde termijn is geen betaling van veroordeelde ontvangen. De HR verklaart veroordeelde n-o in het beroep.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 4 juni 2013
ECLI:NL:PHR:2013:75Hoge Raad · 2 juli 2013deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2013:117
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
2 juli 2013
Strafkamer
nr. 11/105186 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de de Rechtbank Utrecht van 25 oktober 2011, nummer RK 11/1491, op een bezwaarschrift als bedoeld in art. 575, derde lid, Sv, ingediend door:
[veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de veroordeelde.
Namens deze heeft mr. B.A.S. van Leeuwen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd dat de veroordeelde niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Ingevolge art. 575, derde lid, Sv is de veroordeelde in zijn cassatieberoep slechts ontvankelijk na voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten ter griffie van het gerecht dat de beschikking heeft gegeven, of waartoe de rechter van wie de beschikking afkomstig is, behoort.
Bij tussenbeschikking van 9 oktober 2012 heeft de Hoge Raad de veroordeelde in de gelegenheid gesteld om alsnog binnen een termijn van veertien dagen nadat de Griffier van de Rechtbank Utrecht haar daartoe schriftelijk heeft aangemaand, een nader te bepalen bedrag ter griffie van de Rechtbank te consigneren.
De Griffier van de Rechtbank Midden-Nederland heeft de veroordeelde bij brieven van 17 januari 2013, 6 maart 2013 en 22 april 2013 in de gelegenheid gesteld om binnen veertien dagen na dagtekening van die brieven het verschuldigde bedrag van € 405,36 aan zekerheid te betalen aan het CJIB te Leeuwarden.
Uit de brieven van de Griffier van de Rechtbank Midden-Nederland van 27 februari 2013, 11 april 2013 en van 22 april 2013 aan de Griffier van de Hoge Raad blijkt echter dat binnen de gestelde termijn geen betaling van de veroordeelde is ontvangen.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de veroordeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2013.