Strafrecht overig

HR: art. 81.1 RO en overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Hoge Raad, 15 oktober 2013

Zaakgegevens

Op 15 oktober 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15 oktober 2013
Datum publicatie
15 oktober 2013
Zaaknummer
12/05183
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:953
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: art. 81.1 RO en overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Procesgang

  1. Rechtbank 's-Hertogenbosch · 8 oktober 2010

    ECLI:NL:RBSHE:2010:BN9786
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 8 december 2011

    ECLI:NL:GHSHE:2011:BU7307

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Conclusie A-G · 23 april 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:510
  4. Hoge Raad · 15 oktober 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:953

    Conclusie gevolgd · (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

15 oktober 2013

Strafkamer

nr. S 12/05183

BKL

 

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 8 december 2011, nummer 20/003837-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, althans tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering van de duur daarvan met een week en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van veertien jaren.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze dertien jaren en zes maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.F. Groos, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2013.