Strafrecht overig

Hoge Raad · Cassatie · Strafrecht overig

Hoge Raad, 22 januari 2013

Zaakgegevens

Op 22 januari 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 januari 2013
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
11/03160
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:BY8343
E-mail

Samenvatting

HR: 81 lid 1 RO

Procesgang

  1. Hoge Raad · 22 januari 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:BY8343

  2. Conclusie A-G · 22 januari 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:BY8343

Uitspraak

22 januari 2013

Strafkamer

nr. S 11/03160

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 juni 2011, nummer 22/005870-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot verbetering dan wel verbeterde lezing van het bestreden arrest voor zover daarin per abuis van opzetheling wordt gerept, eventueel tot vernietiging van het bestreden arrest indien en voor zover daarbij als wettelijk voorschrift waarop de strafoplegging mede berust ten onrechte niet art. 180 Sr is vermeld, met dien verstande dat dan de Hoge Raad zelf als wettelijk voorschrift waarop de strafoplegging mede berust art. 180 Sr vermeldt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 22 januari 2013.