Strafrecht overig

HR: 81.1 RO. De overschrijding van de inzendtermijn wordt in voldoende mate gecompenseerd door de zaak binnen…

Zaakgegevens

Op 19 februari 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19 februari 2013
Datum publicatie
8 april 2013
Zaaknummer
12/00182
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:BZ1543
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

HR: 81.1 RO. De overschrijding van de inzendtermijn wordt in voldoende mate gecompenseerd door de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep in af te doen.

Procesgang

  1. Rechtbank Arnhem · 16 maart 2011

    ECLI:NL:RBARN:2011:BP7676
  2. Gerechtshof Arnhem · 23 december 2011

    ECLI:NL:GHARN:2011:BV1929

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Hoge Raad · 19 februari 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:BZ1543

    Bekrachtiging/bevestiging

  4. Conclusie A-G · 19 februari 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:BZ1543

Uitspraak

19 februari 2013

Strafkamer

nr. S 12/00182

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 23 december 2011, nummer 21/001116-11, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2. Nu de Hoge Raad de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep afdoet, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan - wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie - niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.

3.3. Het middel faalt derhalve.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer B.C. de Savornin Lohman als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 19 februari 2013.