Strafrecht overig

HR: art. 81 RO en strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Zaakgegevens

Op 5 maart 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 maart 2013
Datum publicatie
8 april 2013
Zaaknummer
10/00107
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:BZ2937
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

HR: art. 81 RO en strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Procesgang

  1. Rechtbank Amsterdam · 29 februari 2008

    ECLI:NL:RBAMS:2008:BR2143
  2. Gerechtshof Amsterdam · 14 december 2009

    ECLI:NL:GHAMS:2009:BX5713

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Hoge Raad · 5 maart 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:BZ2937

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  4. Conclusie A-G · 5 maart 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:BZ2937

Uitspraak

5 maart 2013

Strafkamer

nr. S 10/00107

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 december 2009, nummer 23/001224-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de opgelegde straf betreft en tot verlaging daarvan, met verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het vijfde middel

3.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

3.2. Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twaalf jaren. In de omstandigheid dat de Hoge Raad als gevolg van de bij de inzending van de stukken opgetreden vertraging die meer dan twaalf maanden bedraagt, eerst thans uitspraak kan doen, vindt de Hoge Raad aanleiding de opgelegde gevangenisstraf te verminderen met acht maanden.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze elf jaren en vier maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 5 maart 2013.