Strafrecht overig

Beschikking. De HR verklaart het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk.

Zaakgegevens

Op 26 maart 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26 maart 2013
Datum publicatie
8 april 2013
Zaaknummer
12/04817 B
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:BZ5414
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Beschikking. De HR verklaart het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 26 maart 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:BZ5414

  2. Conclusie A-G · 26 maart 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:BZ5414

Uitspraak

26 maart 2013

Strafkamer

nr. S 12/04817 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juni 2012, nummer 20/001256-11, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[Klager], geboren te [geboortedatum] op [geboortedatum] 1989.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2013.