Strafrecht overig

Het middel is gericht tegen ’s Hofs beslissing in de samenhangende strafzaak. Geen cassatiemiddel in de zin…

Hoge Raad, 4 november 2014

Zaakgegevens

Op 4 november 2014 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
4 november 2014
Datum publicatie
4 november 2014
Zaaknummer
12/01858
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2014:3085
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het middel is gericht tegen ’s Hofs beslissing in de samenhangende strafzaak. Geen cassatiemiddel in de zin der wet. HR verklaart de betrokkene n-o in het beroep, nu niet door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 9 september 2014

    ECLI:NL:PHR:2014:1924
  2. Hoge Raad · 4 november 2014deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2014:3085

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

4 november 2014

Strafkamer

nr. S 12/01858 P

BKL

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 maart 2012, nummer 23/000971-10, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel behelst een klacht die is gericht tegen 's Hofs beslissing in de met deze zaak samenhangende strafzaak die bij de Hoge Raad in behandeling is onder nummer 12/01857. Als een middel van cassatie als in de wet bedoeld, kan slechts gelden een duidelijke en stellige klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Het middel voldoet niet aan dit vereiste, zodat het onbesproken moet blijven.

2.2.

Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2014.