Strafrecht overig

Verbeurdverklaring. In aanmerking genomen dat is bewezenverklaard het vervoeren van verdovende middelen, is…

Hoge Raad, 3 maart 2015

Zaakgegevens

Op 3 maart 2015 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 maart 2015
Datum publicatie
3 maart 2015
Zaaknummer
13/03184
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2015:518
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verbeurdverklaring. In aanmerking genomen dat is bewezenverklaard het vervoeren van verdovende middelen, is ’s Hofs oordeel dat het in het middel bedoelde geldbedrag geheel of grotendeels d.m.v. het bewezenverklaarde is verkregen, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 6 januari 2015

    ECLI:NL:PHR:2015:98
  2. Hoge Raad · 3 maart 2015deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2015:518

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

3 maart 2015

Strafkamer

nr. S 13/03184

LBS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 februari 2013, nummer 22/005459-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het vierde middel

2.1.

Het middel klaagt dat de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag onvoldoende met redenen is omkleed.

2.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 23 december 2009 te Zwijndrecht opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 508 gram van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en ongeveer 105 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet."

2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de verbeurdverklaring het volgende overwogen:

"De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 2.639,35 verbeurd zal worden verklaard.

Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 2.639,35, volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend, zal het hof de verbeurdverklaring gelasten. Het hof is van oordeel dat het geldbedrag samenhangt met de bewezenverklaarde feiten, nu het geheel of grotendeels door middel van het bewezenverklaarde is verkregen.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte."

2.4.

In aanmerking genomen dat is bewezenverklaard - zakelijk weergegeven - het vervoeren van verdovende middelen, is het oordeel van het Hof dat het in het middel bedoelde geldbedrag geheel of grotendeels door middel van het bewezenverklaarde is verkregen, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

2.5.

Het middel slaagt.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2015.