Strafrecht overig

Krakers Wassenaar, art. 138a Sr. HR en AG: art. 80a RO.

Zaakgegevens

Op 2 februari 2016 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
2 februari 2016
Datum publicatie
2 februari 2016
Zaaknummer
15/00309
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:175
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Krakers Wassenaar, art. 138a Sr. HR en AG: art. 80a RO.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2015

    ECLI:NL:GHDHA:2015:27
  2. Conclusie A-G · 5 januari 2016

    ECLI:NL:PHR:2016:17
  3. Hoge Raad · 2 februari 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:175

    Conclusie gevolgd · Niet ontvankelijk

Uitspraak

Inhoudsopgave

2 februari 2016

Strafkamer

nr. S 15/00309

AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 12 januari 2015, nummer 22/001393-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E. Tamas, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2016.