Strafrecht overig

Poging tot doodslag te Amsterdam. Voorwaardelijk opzet op de dood door op korte afstand gericht in de heup…

Zaakgegevens

Op 27 september 2016 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27 september 2016
Datum publicatie
29 september 2016
Zaaknummer
15/02850
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:2203
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Poging tot doodslag te Amsterdam. Voorwaardelijk opzet op de dood door op korte afstand gericht in de heup van het slachtoffer te schieten. HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 12 juni 2015

    ECLI:NL:GHAMS:2015:2921
  2. Hoge Raad · 27 september 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:2203

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

Inhoudsopgave

27 september 2016

Strafkamer

nr. S 15/02850

SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 12 juni 2015, nummer 23/000252-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 september 2016.