Strafrecht overig

Niet beslist op voorwaardelijk gedaan getuigenverzoek. Hof is kennelijk uitgegaan van vooronderstelling dat…

Hoge Raad, 1 november 2016

Zaakgegevens

Op 1 november 2016 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
1 november 2016
Datum publicatie
2 november 2016
Zaaknummer
15/04108
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:2491
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Niet beslist op voorwaardelijk gedaan getuigenverzoek. Hof is kennelijk uitgegaan van vooronderstelling dat aan verzoek tot horen van getuige geen voorwaarden kunnen worden verbonden. Deze opvatting is onjuist. Een verzuim op zo’n verzoek te beslissen heeft ex art. 330 Sv jo. art. 415 Sv nietigheid tot gevolg (vgl. ECLI:NL:HR:2016:1177).

Procesgang

  1. Rechtbank Noord-Holland · 1 december 2014

    ECLI:NL:RBNHO:2014:11716
  2. Gerechtshof Amsterdam · 17 augustus 2015

    ECLI:NL:GHAMS:2015:4551

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Conclusie A-G · 4 oktober 2016

    ECLI:NL:PHR:2016:1056
  4. Hoge Raad · 1 november 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:2491

    (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen · Conclusie gevolgd

Uitspraak

1 november 2016

Strafkamer

nr. S 15/04108

KD/AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 augustus 2015, nummer 23/004869-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht enafgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op een ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging gedaan voorwaardelijk verzoek tot het horen van een getuige.

2.2.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende aangevoerd:

"Om mij moverende redenen heb ik tot nu toe gemeend dat we [getuige] met rust moeten laten. In raadkamer kunt u alsnog besluiten om hem te horen. Daartoe doe ik een voorwaardelijk verzoek."

2.3.

Het proces-verbaal houdt voorts het volgende in:

"De voorzitter onderbreekt het pleidooi van de raadsman en deelt hem mede dat het hof geen voorwaardelijke verzoeken accepteert."

2.4.

Het Hof is kennelijk uitgegaan van de vooronderstelling dat aan een verzoek tot het horen van een getuige geen voorwaarden kunnen worden verbonden. Deze opvatting is onjuist. Een verzuim op een zodanig verzoek te beslissen heeft ingevolge art. 330 Sv in verbinding met art. 415 Sv nietigheid tot gevolg (vgl. HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016: 1177).

2.5.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2016.