Strafrecht overig

Medeplegen van poging tot doodslag te Hilversum, door het slachtoffer met een zwaard op diens hoofd te slaan…

Hoge Raad, 1 november 2016

Zaakgegevens

Op 1 november 2016 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
1 november 2016
Datum publicatie
2 november 2016
Zaaknummer
16/00344
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:2492
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen van poging tot doodslag te Hilversum, door het slachtoffer met een zwaard op diens hoofd te slaan en nadien – terwijl het slachtoffer zwaargewond aan zijn hoofd op de grond lag – tegen diens hoofd te trappen. HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2015

    ECLI:NL:GHARL:2015:3603
  2. Hoge Raad · 1 november 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:2492

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

1 november 2016

Strafkamer

nr. S 16/00344

MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 20 mei 2015, nummer 21/008351-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2016.