Strafrecht overig

Poging doodslag, met auto inrijden op het slachtoffer en slaan met een krik in de richting van het hoofd van…

Hoge Raad, 8 november 2016

Zaakgegevens

Op 8 november 2016 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
8 november 2016
Datum publicatie
8 november 2016
Zaaknummer
15/01588
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:2531
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging doodslag, met auto inrijden op het slachtoffer en slaan met een krik in de richting van het hoofd van het slachtoffer. HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2015

    ECLI:NL:GHARL:2015:2369
  2. Hoge Raad · 8 november 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:2531

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

8 november 2016

Strafkamer

nr. S 15/01588

DAZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 27 maart 2015, nummer 21/003030-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P. van der Geest, advocaat te Utrecht, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 november 2016.