Strafrecht overig

Uitlevering ter fine van strafvervolging aan Canada t.z.v. feitelijke aanranding van de eerbaarheid…

Hoge Raad, 4 april 2017

Zaakgegevens

Op 4 april 2017 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
4 april 2017
Datum publicatie
4 april 2017
Zaaknummer
16/03560
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2017:586
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Uitlevering ter fine van strafvervolging aan Canada t.z.v. feitelijke aanranding van de eerbaarheid, kinderpornografie, grooming en verleiding en belaging. Genoegzaamheid van de stukken? Ingevolge art. 7.1.b.(i) Verdrag tussen NL en Canada inzake uitlevering dient ter ondersteuning van een uitleveringsverzoek - in geval van een persoon die wordt verdacht van een strafbaar feit - te worden overlegd het origineel of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het bevel tot aanhouding, uitgevaardigd in de verzoekende staat. Middel klaagt over het (impliciete) oordeel van de Rb dat de door de verzoekende staat overgelegde stukken voldoen aan de eisen van voormelde verdragsbepaling. Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de AG bewerkstelligd dat ter ondersteuning van het uitleveringsverzoek alsnog een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift is overgelegd van het in de verzoekende Staat uitgevaardigde “Warrant for Arrest”. Dit bevel tot aanhouding voldoet aan de eisen van voormelde verdragsbepaling. Gelet hierop mist de opgeëiste persoon belang bij gegrondbevinding van het middel en vernietiging van de bestreden uitspraak deswege.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 3 januari 2017

    ECLI:NL:PHR:2017:212
  2. Hoge Raad · 4 april 2017deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2017:586

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

4 april 2017

Strafkamer

nr. S 16/03560 U

ES

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 28 juni 2016, nummer RK 15/8333, op een verzoek van Canada tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft een conclusie genomen.

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van de Rechtbank dat de door de verzoekende Staat overgelegde stukken voldoen aan de eisen van art. 7, eerste lid onder b sub (i), van het te dezen toepasselijke uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada.

2.2.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de Advocaat-Generaal bewerkstelligd dat ter ondersteuning van het verzoek om uitlevering alsnog een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift is overgelegd van het in de verzoekende Staat uitgevaardigde Warrant for Arrest. Dit bevel tot aanhouding voldoet aan de eisen van voormelde verdragsbepaling.

2.3.

Gelet hierop mist de opgeëiste persoon belang bij gegrondbevinding van het middel en vernietiging van de bestreden uitspraak deswege. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2017.