Strafrecht overig
Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een…
Hoge Raad, 7 februari 2017
ECLI:NL:HR:2017:800 · Hoge Raad · 7 februari 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2017-800
Zaakgegevens
Op 7 februari 2017 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 februari 2017
- Datum publicatie
- 2 mei 2017
- Zaaknummer
- 16/01147
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2017:800
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 25 februari 2016
ECLI:NL:GHAMS:2016:5848Hoge Raad · 7 februari 2017deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2017:800
Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Uitspraak
7 februari 2017
Strafkamer
nr. S 16/01147
CB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 25 februari 2016, nummer 23/002574-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. Velthorst, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2017.
Middel 1
Schending van het recht en / of verzuim van vormen, waarvan de niet naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, doordat de bewezenverklaring ten aanzien van het handelen 'tezamen en in vereniging’ ontoereikend is gemotiveerd.
Toelichting
Naar het oordeel van rekwirant zijn de door het Hof in zijn bewijsoverweging in aanmerking genomen feiten en omstandigheden onvoldoende om te kunnen aannemen dat rekwirant de diefstal heeft medegepleegd.
Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat rekwirant en de medeverdachte op de bewuste avond lange tijd met elkaar zijn opgetrokken. Ook herkenden de verbalisanten dat rekwirant en de medeverdachte vóór de diefstal 'zakkenrollersgedrag' vertoonden. Samen zijn zij de bewuste bar ingegaan, waar ook aangever zich bevond. Ongeveer tien minuten na binnenkomst is de medeverdachte haastig uit de bar vertrokken en kort daarna volgde rekwirant. Daarbij is volgens de verbalisant schichtig gedrag vertoond. Op enige afstand van de bar toont de medeverdachte een telefoon aan rekwirant. Bij de fouillering van de medeverdachte worden twee telefoons aangetroffen, waaronder de telefoon van aangever. De medeverdachte verklaart dat rekwirant de telefoon heeft gestolen en dat de medeverdachte deze heeft aangepakt en in zijn zak heeft gestopt.
Rekwirant kan zich niet vinden in de overweging van het Hof dat voornoemd gedrag naar uiterlijke verschijningsvorm niet anders te duiden is dan als een nauwe en bewuste samenwerking. Mede gelet op hetgeen van de zijde van rekwirant is aangevoerd ter terechtzitting in hoger beroep is er wel degelijk een andere duiding mogelijk.
Daarbij blijft onduidelijk welke afspraken er zijn gemaakt, en of er überhaupt afspraken zijn gemaakt tussen rekwirant en de medeverdachte.
Naar het oordeel van rekwirant kan het bestreden arrest dan ook geen stand houden.