Strafrecht overig

Fiscale fraude. HR: art. 80a RO. Samenhang met 15/04994; 15/04995 en 15/05118.

Zaakgegevens

Op 9 mei 2017 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 mei 2017
Datum publicatie
9 mei 2017
Zaaknummer
16/00476
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2017:833
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Fiscale fraude. HR: art. 80a RO. Samenhang met 15/04994; 15/04995 en 15/05118.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 14 februari 2017

    ECLI:NL:PHR:2017:318
  2. Hoge Raad · 9 mei 2017deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2017:833

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

Inhoudsopgave

9 mei 2017

Strafkamer

nr. S 16/00476

SG/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 21 oktober 2015, nummer 21/003896-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Verrillo, advocaat te Denekamp, een schiftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 mei 2017.