Strafrecht overig

Poging doodslag in Almere door op drie personen te schieten. HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt…

Hoge Raad, 18 december 2018

Zaakgegevens

Op 18 december 2018 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 december 2018
Datum publicatie
11 december 2018
Zaaknummer
17/01688
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:2285
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging doodslag in Almere door op drie personen te schieten. HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG. Vervolg op ECLI:NL:HR:2015:2862.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2017

    ECLI:NL:GHARL:2017:2766
  2. Hoge Raad · 18 december 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:2285

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

18 december 2018

Strafkamer

nr. S 17/01688

EC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 30 maart 2017, nummer 21/005734-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1982.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2018.