Strafrecht overig

Woningoverval in Breda. HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG. Samenhang met 18/00541 en 18/00564.

Zaakgegevens

Op 18 december 2018 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 december 2018
Datum publicatie
18 december 2018
Zaaknummer
18/00395
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:2356
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Woningoverval in Breda. HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG. Samenhang met 18/00541 en 18/00564.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 22 januari 2018

    ECLI:NL:GHSHE:2018:210
  2. Hoge Raad · 18 december 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:2356

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

Inhoudsopgave

18 december 2018

Strafkamer

nr. S 18/00395

DAZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 januari 2017, nummer 20/001152-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2018.