Strafrecht overig

Vernieling, art. 350 Sr. Strafmotivering, art. 359.6 Sv. Voldaan aan art. 359.6 Sv door d.m.v. bevestiging…

Hoge Raad, 18 december 2018

Zaakgegevens

Op 18 december 2018 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 december 2018
Datum publicatie
28 januari 2019
Zaaknummer
18/00673
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:2434
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vernieling, art. 350 Sr. Strafmotivering, art. 359.6 Sv. Voldaan aan art. 359.6 Sv door d.m.v. bevestiging vonnis Pr (gevangenisstraf van 2 weken) te overwegen dat gelet op verdachtes strafblad geen ruimte meer is voor werkstraf? Strafmotivering bevat in strijd met art. 359.6 Sv geen opgave van de redenen die i.h.b. hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Dat verzuim leidt ex art. 359.8 Sv tot nietigheid (vgl. ECLI:NL:HR:2016:2202). Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 30 oktober 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:1461
  2. Hoge Raad · 18 december 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:2434

Uitspraak

18 december 2018

Strafkamer

nr. S 18/00673

SLU

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 30 januari 2018, nummer 22/003276-17, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag om in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, zesde lid, Sv heeft verzuimd in het arrest in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

3.2.

Het Hof heeft het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Rotterdam, van 19 juli 2017 bevestigd. De verdachte is ter zake van "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken. De strafoplegging is als volgt gemotiveerd:

"De politierechter slaat acht op de justitiële documentatie d.d. 2 mei 2017 en merkt op dat verdachte in februari 2017 nog veroordeeld is, waarbij het vonnis dadelijk uitvoerbaar was verklaard. Binnen drie maanden is verdachte weer de fout in gegaan. Ook al is artikel 22b Sr niet van toepassing dan nog is de politierechter van oordeel dat gelet op verdachte ’s strafblad geen ruimte meer is voor een werkstraf."

3.3.

Deze overweging bevat, in strijd met het zesde lid van art. 359 Sv, geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Dat verzuim leidt krachtens art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid (vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2202).

3.4.

Het middel is terecht voorgesteld.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2018.