Strafrecht overig

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Hoge Raad, 6 november 2018

Zaakgegevens

Op 6 november 2018 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
6 november 2018
Datum publicatie
11 juli 2019
Zaaknummer
17/03434
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:2437
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 30 juni 2015

    ECLI:NL:RBZWB:2015:4200
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 26 juni 2017

    ECLI:NL:GHSHE:2017:2853

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Hoge Raad · 6 november 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:2437

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

6 november 2018

Strafkamer

nr. S 17/03434

AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 juni 2017, nummer 20/002236-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 november 2018.