Strafrecht overig
Betekening appeldagvaarding. Achteraf vastgestelde onjuiste feitelijke grondslag op de grond dat BRP-adres…
Hoge Raad, 3 april 2018
ECLI:NL:HR:2018:563 · Hoge Raad · 3 april 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2018-563
Zaakgegevens
Op 3 april 2018 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 april 2018
- Datum publicatie
- 11 april 2018
- Zaaknummer
- 16/02910
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2018:563
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Betekening appeldagvaarding. Achteraf vastgestelde onjuiste feitelijke grondslag op de grond dat BRP-adres verdachte in ID-staten SKDB waarvan Hof kennelijk is uitgegaan, niet overeenkomt met BRP-adres verdachte in ID-staat SKDB van latere datum. HR: Op de gronden die zijn vermeld in de CAG is het middel terecht voorgesteld. CAG: Appeldagvaarding is tevergeefs aangeboden op BRP-adres verdachte, zoals dat blijkt uit ID-staten SKDB van 23-11-2015, 10-12-2015 en 5-1-2016, en vervolgens ex art. 588.3.c Sv uitgereikt aan griffier met verzending van afschrift appeldagvaarding aan voornoemd adres. ID-staat SKDB van 29-4-2016 houdt in dat verdachte in desbetreffende periode in BRP stond ingeschreven op ander adres. Gelet op inhoud ID-staat SKDB d.d. 29-4-2016, rijst het ernstige vermoeden dat ‘s Hofs oordeel dat appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend op een onjuiste feitelijke grondslag berust. HR verklaart dagvaarding in h.b. nietig.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 13 februari 2018
ECLI:NL:PHR:2018:334Hoge Raad · 3 april 2018deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2018:563
Uitspraak
3 april 2018
Strafkamer
nr. S 16/02910
JH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 1 februari 2016, nummer 22/004984-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
2. Beoordeling van het middel
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal is het middel terecht voorgesteld.
3 Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 april 2018.