Strafrecht overig
Verjaring wederspannigheid, art. 70.1.2 en 180 Sr. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte veroordeeld t.z.v…
Hoge Raad, 29 mei 2018
ECLI:NL:HR:2018:781 · Hoge Raad · 29 mei 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2018-781
Zaakgegevens
Op 29 mei 2018 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 29 mei 2018
- Datum publicatie
- 29 mei 2018
- Zaaknummer
- 17/02679
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2018:781
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verjaring wederspannigheid, art. 70.1.2 en 180 Sr. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte veroordeeld t.z.v. wederspannigheid, gepleegd op of omstreeks 27-3-2007. Dit feit is bij art. 180 Sr strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar is gesteld. Bij de stukken van het geding bevindt zich een verstekmededeling van 8-1-2009 betreffende de bestreden uitspraak. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat gedurende zes jaren daarop volgend enige daad van vervolging is verricht. De in art. 70.1..2 Sr bepaalde termijn van verjaring is dus verstreken, zodat het recht tot strafvordering is vervallen. Volgt n-o verklaring OvJ in de vervolging. CAG: anders.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 3 april 2018
ECLI:NL:PHR:2018:501Hoge Raad · 29 mei 2018deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2018:781
Uitspraak
29 mei 2018
Strafkamer
nr. S 17/02679
IV/SG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, van 28 oktober 2008, nummer 24/000580-08, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.C. Levy, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte - zakelijk weergegeven - tenlastegelegd wederspannigheid, gepleegd op of omstreeks 27 maart 2007. Het Hof heeft het tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte bij verstek veroordeeld tot een geldboete van € 260,-, subsidiair 5 dagen hechtenis.
Het hiervoor vermelde feit is bij art. 180 Sr strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar is gesteld.
Bij de stukken van het geding bevindt zich een verstekmededeling van 8 januari 2009 betreffende de bestreden uitspraak. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat gedurende zes jaren daarop volgend enige daad van vervolging is verricht. De in art. 70, eerste lid aanhef en onder 2°, Sr bepaalde termijn van verjaring is dus verstreken, zodat het recht tot strafvordering is vervallen.
3 Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Politierechter is vernietigd;
verklaart de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk in de vervolging.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 mei 2018.