Strafrecht overig
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. witwassen (art. 420bis.1.a Sr) en valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr)…
Hoge Raad, 1 oktober 2019
ECLI:NL:HR:2019:1470 · Hoge Raad · 1 oktober 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2019-1470
Zaakgegevens
Op 1 oktober 2019 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2019
- Datum publicatie
- 30 september 2019
- Zaaknummer
- 18/00202
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2019:1470
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. witwassen (art. 420bis.1.a Sr) en valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr). Betekening oproeping nadere tz. in h.b. Kan bij inhoudelijke behandeling in e.a. opgegeven en in vonnis Rb vermeld adres worden aangemerkt als feitelijke woon-of verblijfplaats van verdachte a.b.i. art. 588.1.b.2 Sv? Oproeping voor nadere tz. in h.b. is uitgereikt aan griffier, omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. HR: Middel slaagt op in CAG vermelde gronden. CAG: Onbekendheid van feitelijke woon- of verblijfplaats kan niet worden aangenomen, indien niet is getracht uitreiking van oproeping te doen plaatsvinden op uit stukken blijkend - voor de hand liggend en niet door latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte zou kunnen gelden (vgl. ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rov. 3.24.b). Hof heeft geen woord gewijd aan vraag of bij inhoudelijke behandeling in e.a. opgegeven en in vonnis Rb vermeld adres kan worden aangemerkt als adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte zou kunnen gelden, terwijl aan p-v van tz. in h.b. e-mailbericht is gehecht van verdachtes vrouw aan verdachtes raadsman waarin dit adres is vermeld. Zonder nadere motivering is daarom onbegrijpelijk dat niet is getracht oproeping voor nadere tz. in h.b. uit te reiken aan dat adres. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 juli 2019
ECLI:NL:PHR:2019:991Hoge Raad · 1 oktober 2019deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2019:1470
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/00202
Datum 1 oktober 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 29 november 2017, nummer 21/006715-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2 Beoordeling van het middel
Het middel klaagt over de beslissing van het Hof tot het verlenen van verstek tegen de niet verschenen verdachte.
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 13 is het middel terecht voorgesteld.
3 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak;
- wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2019.