Strafrecht overig
Hennepteelt, art. 3.B Opiumwet. Onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen boksbeugel, art. 36d Sr. Is…
Hoge Raad, 8 oktober 2019
ECLI:NL:HR:2019:1548 · Hoge Raad · 8 oktober 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2019-1548
Zaakgegevens
Op 8 oktober 2019 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2019
- Datum publicatie
- 8 oktober 2019
- Zaaknummer
- 18/02750
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2019:1548
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Hennepteelt, art. 3.B Opiumwet. Onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen boksbeugel, art. 36d Sr. Is voldaan aan voorwaarde dat boksbeugel kan dienen om soortgelijk feiten te begaan? Onder soortgelijke feiten in de zin van art. 36d Sr dienen te worden verstaan feiten die tot dezelfde categorie behoren als door verdachte begane feiten dan wel feiten waarvan hij wordt verdacht (vgl. ECLI:NL:HR:1997:ZC9322). Gelet op bewezenverklaring heeft Hof telen van hennep aangemerkt als door verdachte begaan feit a.b.i. art. 36d Sr. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt echter niet in te zien hoe inbeslaggenomen boksbeugel kan dienen om soortgelijke feiten als telen van hennep te begaan of voor te bereiden, dan wel opsporing van dergelijke feiten te belemmeren. Volgt vernietiging van beslissing tot onttrekking aan het verkeer.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 27 augustus 2019
ECLI:NL:PHR:2019:815Hoge Raad · 8 oktober 2019deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2019:1548
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/02750
Datum 8 oktober 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 maart 2018, nummer 20/002503-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de boksbeugel betreft, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Beoordeling van het tweede middel
Het middel klaagt over de beslissing van het Hof dat een inbeslaggenomen boksbeugel aan het verkeer onttrokken wordt verklaard.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op of omstreeks 28 maart 2016 te [plaats], [gemeente] opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 426 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en de verdachte voor dat feit veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met onttrekking aan het verkeer van een inbeslaggenomen boksbeugel.
Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De hierna nader aan te duiden in beslag genomen en nog niet teruggegeven boksbeugel is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu dit bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf is aangetroffen, terwijl dit van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.”
Art. 36d Sr luidt:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.”
Onder soortgelijke feiten in de zin van art. 36d Sr dienen te worden verstaan feiten die tot dezelfde categorie behoren als de door de verdachte begane feiten dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht. (Vgl. HR 6 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9322.)
Gelet op de bewezenverklaring heeft het Hof - kort gezegd - het telen van hennep aangemerkt als het door de verdachte begane feit als bedoeld in art. 36d Sr. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt echter niet in te zien hoe de inbeslaggenomen boksbeugel kan dienen om soortgelijke feiten als het telen van hennep te begaan of voor te bereiden, dan wel de opsporing van dergelijke feiten te belemmeren.
Het middel is terecht voorgesteld.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissing ter zake van de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen boksbeugel;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2019.