Strafrecht overig

Poging doodslag in woning van moeder van verdachte. HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG.

Hoge Raad, 5 november 2019

Zaakgegevens

Op 5 november 2019 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 november 2019
Datum publicatie
30 oktober 2019
Zaaknummer
18/03007
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:1674
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging doodslag in woning van moeder van verdachte. HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG.

Procesgang

  1. Rechtbank Gelderland · 28 november 2017

    ECLI:NL:RBGEL:2017:6128
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 19 juni 2018

    ECLI:NL:GHARL:2018:5627

    Meerdere afhandelingswijzen

  3. Hoge Raad · 5 november 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:1674

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/03007

Datum 5 november 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 19 juni 2018, nummer 21/006637-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in het jaar 1994,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.A.P. van Breukelen, advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2019.