Strafrecht overig

Poging doodslag door op klaarlichte dag in binnenstad van Enschede op slachtoffer te schieten. HR: art. 80a…

Hoge Raad, 19 november 2019

Zaakgegevens

Op 19 november 2019 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19 november 2019
Datum publicatie
15 november 2019
Zaaknummer
18/05309
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:1798
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging doodslag door op klaarlichte dag in binnenstad van Enschede op slachtoffer te schieten. HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG. Samenhang met 19/01997 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/05309

Datum 19 november 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 13 juni 2018, nummer 21/003529-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.N.A. Brouns, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2019.