Strafrecht overig

Poging doodslag door met een mes met een lemmet van 14 cm met kracht te steken in de richting van de romp en…

Zaakgegevens

Op 9 april 2019 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 april 2019
Datum publicatie
25 maart 2019
Zaaknummer
18/03596
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:433
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Poging doodslag door met een mes met een lemmet van 14 cm met kracht te steken in de richting van de romp en in/door de arm van het slachtoffer. HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 9 april 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:433

  2. Conclusie A-G · 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:351

Uitspraak

Inhoudsopgave

9 april 2019

Strafkamer

nr. S 18/03596

CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 juni 2018, nummer 20/003287-17, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.P.H. Brinkman, advocaat te Tilburg, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2019.