Strafrecht overig

Medeplegen poging moord door met een vuurwapen een aantal kogels in het lichaam en het gezicht van het…

Hoge Raad, 9 april 2019

Zaakgegevens

Op 9 april 2019 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 april 2019
Datum publicatie
9 april 2019
Zaaknummer
18/01133
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:562
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen poging moord door met een vuurwapen een aantal kogels in het lichaam en het gezicht van het slachtoffer te schieten. HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG. Samenhang met 18/01302 (niet gepubliceerd).

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 8 maart 2018

    ECLI:NL:GHDHA:2018:531
  2. Hoge Raad · 9 april 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:562

Uitspraak

9 april 2019

Strafkamer

nr. S 18/01133

IV

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 8 maart 2018, nummer 22/003220-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2019.