Strafrecht overig

Doodslag door tijdens ontmoeting op parkeerplaats in Zutphen ander met mes in lichaam te steken, art. 287 Sr…

Zaakgegevens

Op 16 april 2019 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 april 2019
Datum publicatie
16 april 2019
Zaaknummer
18/03526
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:608
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Doodslag door tijdens ontmoeting op parkeerplaats in Zutphen ander met mes in lichaam te steken, art. 287 Sr. HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 16 juli 2018

    ECLI:NL:GHARL:2018:6512
  2. Hoge Raad · 16 april 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:608

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

Inhoudsopgave

16 april 2019

Strafkamer

nr. S 18/03526

CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 16 juli 2018, nummer 21/002181-17, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.D.J. Visschers, advocaat te Zutphen, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2019.