Strafrecht overig

Poging doodslag door met een mes in de hals/nek te steken, art. 287 jo. 45 Sr. Beroep op noodweer(exces)…

Zaakgegevens

Op 11 juni 2019 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11 juni 2019
Datum publicatie
6 juni 2019
Zaaknummer
18/02975
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:889
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Poging doodslag door met een mes in de hals/nek te steken, art. 287 jo. 45 Sr. Beroep op noodweer(exces), art. 41 Sr. HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2018

    ECLI:NL:GHDHA:2018:959
  2. Hoge Raad · 11 juni 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:889

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02975

Datum 11 juni 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 19 april 2018, nummer 22/004601-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben H. Sytema en C.M.H. van Vliet, beiden advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2019.