Strafrecht overig

Doodslag (art. 287 Sr) en gekwalificeerde doodslag (art. 288 Sr) op dezelfde dag in januari 2013 te…

Zaakgegevens

Op 16 juni 2020 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 juni 2020
Datum publicatie
15 juni 2020
Zaaknummer
19/01243
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:1050
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Doodslag (art. 287 Sr) en gekwalificeerde doodslag (art. 288 Sr) op dezelfde dag in januari 2013 te Groningen. Middelen over het oogmerk bij de gekwalificeerde doodslag op A en het (voorwaardelijk) opzet op de dood bij B, het verschil bij het toerekenen van beide feiten en de combinatie van gevangenisstraf (van 24 jaar) en tbs met dwangverpleging. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 6 maart 2019

    ECLI:NL:GHARL:2019:2051
  2. Conclusie A-G · 26 mei 2020

    ECLI:NL:PHR:2020:518
  3. Hoge Raad · 16 juni 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:1050

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/01243

Datum 16 juni 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 maart 2019, nummer 21-003339-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2020.