Strafrecht overig
Profijtontneming, w.v.v. uit verkoop van cocaïne. Methode van extrapolatie. Hof heeft verzuimd in strafzaak…
Hoge Raad, 18 februari 2020
ECLI:NL:HR:2020:279 · Hoge Raad · 18 februari 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2020-279
Zaakgegevens
Op 18 februari 2020 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 18 februari 2020
- Datum publicatie
- 16 februari 2020
- Zaaknummer
- 18/04329
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2020:279
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Profijtontneming, w.v.v. uit verkoop van cocaïne. Methode van extrapolatie. Hof heeft verzuimd in strafzaak verbeurdverklaard geldbedrag van € 1.855 in mindering te brengen op opgelegde betalingsverplichting, art. 33a.1.a Sr. HR: Op redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Uit in h.b. in zoverre bevestigd vonnis van Rb in hoofdzaak volgt dat verbeurdverklaring van geldbedrag van € 1.855 is gestoeld op art. 33a.1.a Sr. Dat betekent dat Hof onder betrokkene in beslag genomen en in zijn strafzaak verbeurdverklaard geldbedrag in mindering had moeten brengen op aan betrokkene op te leggen betalingsverplichting. HR doet zaak zelf af door vastgestelde betalingsverplichting te verminderen met verbeurdverklaard geldbedrag van € 1.855. Uitgaande van door Hof vastgestelde betalingsverplichting van € 349.000 zal worden bepaald dat aan betrokkene opgelegde verplichting tot betaling aan Staat bedrag van € 347.145 bedraagt. Vervolg op 18/00419 (niet gepubliceerd; strafzaak, art. 81.1 RO).
Procesgang
Uitspraak · 2018
ECLI:NL:GHDHA:2018:3011Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 21 januari 2020
ECLI:NL:PHR:2020:40Hoge Raad · 18 februari 2020deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2020:279
Meerdere afhandelingswijzen
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/04329 P
Datum 18 februari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 28 september 2018, nummer 22/001620-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de betrokkene.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft K.R. Verkaart, advocaat te Breda, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, tot vermindering van de betalingsverplichting tot € 347.145,00 en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste tot en met vierde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte het in de hoofdzaak in beslag genomen en verbeurdverklaarde geldbedrag van € 1.855 niet in mindering heeft gebracht op de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 30 tot en met 32.
De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen door de door het hof vastgestelde betalingsverplichting te verminderen met het verbeurdverklaarde geldbedrag van € 1.855. Uitgaande van de door het hof vastgestelde betalingsverplichting van € 349.000 zal worden bepaald dat de aan de betrokkene opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat een bedrag van € 347.145 bedraagt.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 347.145 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2020.