Strafrecht overig

Medeplegen poging doodslag door in 2019 in Breda een ander, die bij bushok op de grond ligt, meermalen tegen…

Zaakgegevens

Op 16 november 2021 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 november 2021
Datum publicatie
15 november 2021
Zaaknummer
21/00509
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1697
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen poging doodslag door in 2019 in Breda een ander, die bij bushok op de grond ligt, meermalen tegen zijn hoofd te trappen, art. 287 Sr. HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 16 november 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:1697

  2. Uitspraak · 2021

    ECLI:NL:GHSHE:2021:255

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/00509 J

Datum 16 november 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 januari 2021, nummer 20-001248-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G.W.L.A.M. Koppen, advocaat te Eindhoven, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De procureurgeneraal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 november 2021.